Handleiding – Handelingsreflectiemodel

Gebruik: deze handleiding biedt een beknopt overzicht van het handelingsreflectiemodel, de opbouw van het proces en de functie van de afzonderlijke producten. De tekst is bedoeld om gebruikers snel vertrouwd te maken met de werking van het model en de onderlinge samenhang ervan.

1. Doel van het model

Het handelingsreflectiemodel ondersteunt docenten bij het analyseren en onderbouwen van de relatie tussen hun eigen handelen en het handelen van deelnemers, waarbij het een streven is om de handelings- en expressieruimte binnen het beeldende werk van deelnemers te ondersteunen.

Door te werken met observaties en gerichte reflectie helpt het model bij:

  • het herkennen van terugkerende patronen
  • het formuleren van een onderbouwde werkhypothese
  • het maken van gerichte pedagogisch-didactische keuzes


De uitkomsten zijn expliciet, overdraagbaar en bruikbaar in afstemming met collega’s.

2. Overzicht van het proces

De hoofdlijn van het handelingsreflectiemodel.

Stap 1 – Observeren

→ Observatieformulier

Je observeert concrete lessituaties en legt systematisch vast wat er gebeurt in:

  • de situatie
  • het handelen van de docent
  • de respons van de deelnemer
  • het verloop van de situatie (voor interventie → na interventie)

Stap 2 – Reflecteren, duiden en handelingskeuze formuleren

→ Reflectieformulier (+ handelingsmatrix als hulpmiddel)

Je analyseert meerdere observaties en:

  • zoekt naar terugkerende patronen
  • onderzoekt de samenhang tussen situatie, interventie en respons
  • formuleert een werkhypothese
  • vertaalt deze naar een gerichte handelingskeuze


De handelingsmatrix ondersteunt bij het expliciteren en richten van deze keuze.

Cyclisch karakter

De gekozen handelingsstrategie wordt in een volgende lessituatie uitgeprobeerd en opnieuw geobserveerd. Zo ontstaat een cyclisch proces van observeren, duiden en bijstellen, waarbij er continu ruimte blijft voor het ontstaan van voortschrijdend inzicht, zonder dat het handelingsreflectiemodel een voorschrijvend karakter krijgt.

3. Toelichting per stap

Wat elke stap inhoudelijk doet en oplevert.

Stap 1 – Observeren

Je verzamelt concrete gegevens over het handelen van de deelnemer in relatie tot jouw handelen.

De focus ligt op:

  • feitelijk en zichtbaar gedrag
  • concrete situaties
  • beschrijving zonder interpretatie
  • het verloop van de situatie (voor interventie → na interventie)


Opbrengst: bij herhaald gebruik van het observatieformulier ontstaat een set observaties die als basis dient voor reflectie.

Stap 2 – Reflecteren, duiden en handelingskeuze formuleren

Je brengt meerdere observaties samen en analyseert patronen.

Je kijkt naar:

  • wat zich herhaalt
  • wanneer gedrag verandert of stagneert
  • welke rol jouw interventies spelen


Zowel terugkerende patronen als incidentele gebeurtenissen kunnen hierbij betekenisvol zijn.


Op basis hiervan:

  • formuleer je een onderbouwde werkhypothese
  • maak je een gerichte keuze voor je handelen


De handelingsmatrix ondersteunt hierbij als reflectief hulpmiddel bij het bepalen van concrete handelingskeuzes. Een voorbeeld van de matrix vind je op pagina: '3 handelingsmatrix'.

4. De handelingsmatrix

Opbouw, logica en functie van de matrix.

De handelingsmatrix ondersteunt bij het expliciteren en richten van handelingskeuzes. De matrix is opgebouwd uit twee samenhangende onderdelen:

1: Pedagogisch-didactische dimensies (verticaal uiteengezet in de matrix)

Op basis van analyse van praktijkobservaties (uitgevoerd door de ontwerper van het handelingsreflectiemodel) zijn drie samenhangende dimensies te onderscheiden waarop het pedagogisch-didactisch handelen van de docent aangrijpt:

  • Materiaalgebruik
    De keuzes die de docent maakt in de aard, hoeveelheid en toegankelijkheid van aangeboden materialen, zoals het selecteren van specifieke materialen, het beperken van het aantal beschikbare materialen of het aanreiken van nieuw materiaal tijdens het werkproces.
  • Wijze van aanbieden en begeleiden
    De manier waarop de docent de activiteit introduceert en tijdens het werkproces in directe interactie treedt met de deelnemer, door middel van verbale en non-verbale interventies, zoals het geven van instructies, het stellen van vragen, het doen van suggesties, het tonen van een voorbeeld of het geven van feedback.
  • Opdrachtstructuur
    De mate van openheid of sturing die de docent aanbrengt binnen een activiteit, variërend van een volledig vrije opdracht tot het voordoen van een eerste stap, het beperken van keuzemogelijkheden of het bieden van een concreet uitgangspunt.
2: Interventietypen (horizontaal uiteengezet in de matrix)

De interventietypen helpen, uitdagen en loslaten beschrijven de aard van het handelen van de docent. Deze interventies worden altijd ingezet ten aanzien van een van de pedagogisch-didactische dimensies (materiaalgebruik, wijze van aanbieden en begeleiden, opdrachtstructuur).

Waar de dimensies aangeven waarop het handelen betrekking heeft, geven de interventietypen aan hoe de docent handelt binnen die dimensie.

  • Helpen
    Ondersteunen, vereenvoudigen en richting geven.
  • Uitdagen
    Uitbreiden, variëren en stimuleren.
  • Loslaten
    Ruimte geven, observeren en niet ingrijpen.


Door interventietypen te combineren met dimensies ontstaat zicht op verschillende mogelijke handelingskeuzes.

Een paar voorbeelden: een docent kan helpen binnen materiaalgebruik door het aantal materiaalkeuzes te beperken, uitdagen binnen opdrachtstructuur door een extra variatie in de opdrachtstructuur voor te stellen, of loslaten binnen wijze van aanbieden en begeleiden door bewust geen interventie te doen en het proces te laten verlopen.


Door beide onderdelen van de matrix te combineren ontstaat per kruising van dimensie en interventietype zicht op verschillende mogelijke handelingskeuzes.

De matrix wordt niet gebruikt als voorschrijvend keuzemodel, maar als hulpmiddel om:

  • handelingsmogelijkheden te verkennen
  • keuzes te onderbouwen
  • en nieuwe interventies te ontwikkelen op basis van reflectie
5. Samenhang tussen de onderdelen

Hoe observatieformulier, reflectieformulier en handelingsmatrix op elkaar aangrijpen.

De onderdelen van het model grijpen direct in elkaar:

  • Het observatieformulier levert de gegevens
  • Het reflectieformulier maakt patronen en betekenis zichtbaar en leidt tot een handelingskeuze
  • De handelingsmatrix ondersteunt bij het expliciteren en richten van deze keuze


De kwaliteit van de handelingskeuze is afhankelijk van:

  • de kwaliteit van de observatie
  • de diepgang van de reflectie


Het model werkt cyclisch: elke nieuwe observatie bouwt voort op eerdere inzichten.

6. Belangrijke uitgangspunten

De kernprincipes achter de werking van het model.

  • Werken met patronen én incidenten
    De focus ligt op terugkerende samenhang, maar ook losse gebeurtenissen kunnen aanleiding geven tot inzicht.
  • Professionele interpretatie
    Reflectie is gebaseerd op beredeneerde inschattingen, niet op absolute metingen.
  • Overdraagbaarheid en vergelijking
    Het expliciteren van interpretaties maakt vergelijking met collega’s mogelijk en vergroot de betrouwbaarheid.
  • De handelingsmatrix als hulpmiddel
    De handelingsmatrix wordt niet gebruikt als voorschrijvend classificatiekader, maar als reflectief hulpmiddel bij het formuleren van handelingskeuzes.
  • Open maar gericht karakter
    Het model biedt structuur zonder het handelen van de docent te reduceren tot een vaststaande methode.
7. Gebruik in de praktijk

Mogelijke toepassingen van het model.

Het model kan worden ingezet voor:

  • individuele reflectie
  • gezamenlijke reflectie met collega’s
  • overdracht en bespreking van deelnemers


De kracht van het model ligt in herhaald gebruik over meerdere situaties.